WO I aan de kust

Large

De strijd op zee tijdens de Eerste Wereldoorlog kenmerkt zich vooral door de inzet op grote schaal van duikboten. Toen het Duitse keizerrijk het onderspit delfde in de wapenwedloop om de grootste vloot met Groot-Brittannië en de Britse blokkade de Duitse Slagvloot verhinderde uit te varen, nam het belang van Duitse duikboten toe. De technologie stond nog in haar kinderschoenen en werd tijdens de oorlog nog niet maximaal benut, maar al snel bleek het belang van dit nieuwe wapen.

Vooral in de Middellandse Zee en de zeeën rond Groot-Brittannië en Ierland waren de U-boten actief. Ze zaaiden er paniek en kelderden heel wat schepen die onmisbaar waren voor de bevoorrading en troepentransporten. In de Noordzee en het Kanaal was een belangrijke rol weggelegd voor de havens van Oostende, Zeebrugge en Brugge, de enige havens die de Duitsers wisten te veroveren. Het Marinekorps Flandern, dat onder leiding van Ludwig von Schröder vanuit deze havens voer, kelderde een derde van het totaal gezonken tonnage aan geallieerde schepen. Een kustverdediging van 35 batterijen, waaronder batterij Aachen, beschermde deze havens en de kust.
De aanvallen van de duikboten zorgden er niet alleen voor dat de Verenigde Staten in de oorlog stapten, maar was ook de aanleiding voor de slag bij Passendale in 1917 (het doel was de havens van Oostende en Zeebrugge te veroveren) en toen dat mislukte van de eveneens onsuccesvolle raid op Zeebrugge en Oostende in 1918.

Toch verloren de Duitse duikboten tegen het einde van de oorlog aan slagkracht, door de uitputting van Duitse grondstoffen, maar ook door Britse maatregelen zoals het instellen van konvooien en het plaatsen van mijnen en netten in het Kanaal.